DIERENTAAL
Dit wil je hond je vertellen:
Dit wil je hond je vertellen:
- “Ik wil spelen!” Voorpoten uitgestrekt op de grond, oren omhoog, kwispelende staart; dit is de speelbuiging.
- “Aai me.” Als je hond zich omrolt en hij is ontspannen, wil hij lekker over z’n buikje geaaid worden. Maar let op: als hij zich omrolt bij andere honden, laat hij zien dat hij onderdanig of bang is.
- “Kijk uit!” Kijkt een hond je strak aan, staat z’n staart stijf (omhoog), houdt hij z’n kop omlaag en heeft hij misschien zelfs grote pupillen? Neem dan afstand.
- Jij bent het liefste baasje van de wereld!” Met zachte en vriendelijke ogen, een kwispelende staart en ontspannen oren kijkt jouw hond je bewonderend aan.
- “Sorry…” Als je hond je blik ontwijkt, weet hij dondersgoed dat hij (een beetje) stout is geweest.
- “Ik ben blij!” Kwispelende, gebogen staart, een beetje in de vorm van de letter U.
- “Ik ben bang.” Staart tussen de benen en soms ook de oren naar achter. Of ook wel eens: gapen of smakken.
- “Wat is dat?” Schuine kop en oren omhoog.
- “Ik ben moe.” Gapen.
- “Ik ben dol op jou.” (Met z’n volle gewicht) tegen je aanleunen. Of jouw huid likken.
- “Hallo, wie ben jij?” Even aan elkaars achterste ruiken, is de manier voor honden om kennis te maken.
Dit wil je kat je vertellen:
Dit wil je kat je vertellen:
- “Pas op!” Dikke, pluizige staart en misschien sissen.
- “Ik wil spelen!” De staart lijkt op een vraagteken.
- “Ik vind je lief.” De staart krult omhoog en omlaag in een U-vorm.
- “Geef me de ruimte.” Op de grond ‘bonken’ met de staart.
- “Laat me m’n gang gaan.” Heen en weer zwiepen van de staart laat zien dat je kat aan het jagen is, of geïrriteerd.
- “Ik vertrouw jou.” Kopjes geven.
- “Ik ben de baas.” Jou aanstaren zonder met de ogen te knipperen.
- “Ik ben klaar om te vechten.” Samengeknepen ogen.
- “Ik ben dol op jou.” Kijkt je kat je dromerig aan? Geef een knipoog. Knipoogt hij terug? Dan heb je een kattenkusje gekregen!
- “Ik ben tevreden.” Kneden met z’n pootjes.
- “Ik ben gelukkig.” Spinnen.
- “Ik heb honger!” of “Ik wil naar buiten!” Miauwen.
- “Jij bent mijn vriend.” Als je kat z’n achterste tegen je gezicht duwt.
- “Jij hoort bij mij.” Likken.
- “Ik vind je lief.” Als je kat jou een prooi brengt.
- “Aai mij!” Als een kat op z’n rug ligt, wil hij graag achter z’n oren en kin worden geaaid. Liever niet op z’n buik.
Dit wil je konijn je vertellen:
Dit wil je konijn je vertellen:
- “Ik ben ontspannen.” Pootjes onder het lijf, oren naar achter, ogen dicht.
- “Ik voel me veilig.” Als een konijn op z’n zij ligt of languit met de poten naar achter, vertrouwt hij je.
- “He, wat gebeurt daar?” Op z’n achterpoten staan.
- “Ik ben bang.” Als een konijn zich verstopt, is hij bang.
- “Ik ben super blij!” Gekke sprongen maken.
- “Ik wil m’n energie kwijt.” Of: “Ik ben super blij je te zien!” Rondjes rennen.
- “Ik ben tevreden.” Knarsetanden, een soort spinnen zoals katten doen.
- “Ik ben alert.” Op de achterpoten staan, neus beweegt snel.
- “Jij bent familie.” Als konijnen elkaar likken.
- “Er is gevaar! Of: “Ik ben boos!” Stampen.
Dit wil je HAMSTER je vertellen:
Dit wil je HAMSTER je vertellen:
- “Ik ben ontspannen.” Gapen en uitrekken.
- “Ik voel me niet goed.” Verstoppen en niet meer of weinig wassen.
- “Ik ben alert.” Oren naar voren en op de achterpoten staan.
- “Ik ben onzeker.” Bolle wangzakken. (Niet te verwarren met bolle wangzakken die vol met eten zitten.)
- “Ik ben moe.” Oren naar achter.
- “Dit is van mij.” Met buik of heup tegen iets aanwrijven, waardoor ze hun geur achterlaten.
- “Speel met me!” Aan de tralies van de kooi knagen.
- “Ken ik jou?” Even aan je ruiken.
- “Ik ben agressief.” Sissen.
- “Hmm, lekker!” Zachtjes piepen.
- “Help, ik ben bang.” Hard piepen.
Dit wil je CAVIA je vertellen:
Dit wil je CAVIA je vertellen:
- “Ik ben super blij!” Een hoge sprong maken.
- “Hallo.” Neusje tegen jouw neus.
- “Ik ben bang.” Wegrennen en zich verstoppen.
- “Eten, eten, eten!” Hard piepen.
- “Ik moet poepen.” Onrustig wriemelen.
- “Ik ben tevreden.” Zacht piepen, spinnen of ‘pruttelen’.
- “Ik ben agressief.” Klappertanden.
- “Ik ben geïrriteerd.” Hard spinnen.
- “Ik ben boos.” Brommen.
- “Ik wil baby’s maken!” Brommen en soms een dansje!
- “Dit is van mij.” Met kin of wangen ergens over wrijven.
